Ontwaak!

Ontwaak, mensen, uit uw loodzware slaap! Besef de onwaardige last die u draagt, die met een onbeschrijfelijk hardnekkige druk op miljoenen mensen rust. Werp hem af! Is hij het dragen waard? Niet één enkele seconde!

Wat houdt hij in? Leeg kaf, dat voor de ademtocht van de Waarheid snel verwaait. U hebt uw tijd en kracht voor niets verspild. Verbreek daarom de ketenen die u omlaag houden, maak u eindelijk vrij!

De mens die innerlijk gebonden blijft, zal eeuwig slaaf zijn, ook al was hij koning.

U bindt uzelf met alles wat u met uw verstand probeert te leren. Ga maar eens na: door iets te leren, perst u zichzelf in vreemde vormen die anderen bedachten, sluit u zich gewillig bij een vreemde overtuiging aan, maakt u zich slechts datgene eigen, wat anderen in zichzelf,voor zichzelf beleefden.

Bedenk: niet iedereen heeft hetzelfde nodig! Wat voor de één van nut is, kan de ander schaden. Ieder voor zich moet zijn eigen weg naar de vervolmaking gaan. Zijn uitrusting daartoe bestaat uit de vermogens die hij in zich heeft. Daarnaar moet hij zich richten, daarop moet hij bouwen! Doet hij dat niet, dan blijft hij een vreemde voor zichzelf, zal hij altijdnaast het geleerde staan, dat nooit levend in hem kan worden. Iedere winst voor hem is daardoor uitgesloten. Hij vegeteert, vooruitgang is onmogelijk.

Let op, u die ernstig naar Licht en Waarheid streeft:

De weg naar het Licht moet ieder afzonderlijk in zichzelf beleven, hij moet hem zelfontdekken, wanneer hij hem met zekerheid wil bewandelen. Alleen wat de mens innerlijk beleeft, in alle schakeringen aanvoelt, heeft hij zich volledig eigen gemaakt!

Het leed en ook de vreugde kloppen voortdurend aan om aan te sporen, wakker te schudden tot geestelijk ontwaken. Heel vaak komt de mens dan secondenlang los van alle nietigheden van het dagelijks leven, en voelt hij zowel in het geluk als in het leed intuïtief verbinding met de geest, die al wat leeft doorstroomt.

En alles is immers leven, niets is dood! Gelukkig hij, die dergelijke ogenblikken van verbinding aangrijpt en vasthoudt, zich daaraan optrekt. Hij mag daarbij niet aan starre vormen vasthouden, maar ieder moet zich zelf ontwikkelen, van binnenuit.

Bekommer u niet om spotters die nog vreemd staan tegenover het geestesleven. Als dronken mensen, als zieken staan zij tegenover het grote scheppingswerk dat ons zoveel biedt. Als blinden, die tastend door het aardse leven voortschuifelen en alle pracht om zich heen niet zien!

Zij zijn verward, zij slapen, want hoe kan een mens bijvoorbeeld nog beweren, dat alleen dat bestaat wat hij ziet? Dat daar, waar hij met zijn ogen niets kan bespeuren, geen leven is? Dat met het sterven van zijn lichaam ook hij zelf ophoudt te bestaan, alleen maar omdat hij zich tot dusver in zijn blindheid met zijn ogen niet van het tegendeel kon overtuigen? Weet hij niet door vele dingen nu al, hoe nauw begrensd het gezichtsvermogen van het oog is? Weet hij nog niet, dat dit met het aan ruimte en tijd gebonden vermogen van zijn hersenen samenhangt? Dat hij om die reden al datgene, wat zich boven ruimte en tijd verheft, met zijn ogen niet kan zien? Is nog geen van deze spotters deze zo logische verstandelijke redenering duidelijk geworden? Het geestesleven – wij kunnen het ook het generzijdse noemen – is toch alleen maar iets dat volledig boven de aardse indeling van ruimte en tijd staat, en waarvoor dus ook daarmee overeenkomende hulpmiddelen nodig zijn om het waar te nemen.

Maar ons oog ziet niet eens al datgene, wat zich binnen de grenzen van ruimte en tijd laat indelen. Men denke aan de waterdruppel, die voor ieder oog om zo te zien absoluut zuiver is en die toch, door een microscoop waargenomen, miljoenen levende wezens bevat, die elkaar daarin meedogenloos bestrijden en vernietigen. Zijn er niet nu en dan bacteriën in het water, in de lucht, die de kracht bezitten een menselijk lichaam te verwoesten en die voor het oog niet waarneembaar zijn? Zij worden echter zichtbaar door middel van sterke instrumenten.

Wie wil daarom nog wagen te beweren, dat u niets nieuws zult zien dat nu nog onbekend is, zodra u deze instrumenten sterker maakt? Maak ze duizendmaal, miljoenmaal sterker – er zal daardoor aan het zien geen einde komen, maar er zullen zich steeds nieuwe werelden voor u ontsluiten, die u voordien niet kon zien, ook niet kon voelen, terwijl ze toch aanwezig waren.

Logisch nadenken leidt ook tot dezelfde gevolgtrekkingen voor alles wat de wetenschappen tot dusver hebben kunnen vergaren. Er kan voortdurende verdere ontwikkeling worden verwacht, maar nooit een einde.

Wat is nu het generzijdse? Vele mensen laten zich door dit woord in de war brengen. Het generzijdse is eenvoudig al datgene, wat met aardse hulpmiddelen niet is waar te nemen. Aardse hulpmiddelen zijn de ogen, de hersenen en alles wat verder tot het lichaam behoort, en voorts de instrumenten, die deze organen helpen om hun werk nog verfijnder en nauwkeuriger uit te voeren, dit verder uit te breiden.

Men zou dus kunnen zeggen: het generzijdse is wat buiten het waarnemingsvermogen van onze lichamelijke ogen ligt. Een scheiding tussen het dezerzijdse en het generzijdse is er echter niet! Ook geen kloof! Alles is één geheel, zoals de gehele schepping. Eén en dezelfdekracht doorstroomt zowel het dezerzijdse als ook het generzijdse, alles leeft en werkt dankzij deze ene levensstroom en is daardoor onverbrekelijk verbonden. Daardoor wordt het volgende begrijpelijk:

Wanneer één deel ziek wordt, moet de uitwerking daarvan in het andere deel merkbaar worden, net als bij een lichaam. Zieke stoffen uit dit andere deel stromen dan naar het zieke deel toe door de aantrekking van het soortgelijke, waardoor de ziekte nog verergert. Wordt zulk een ziekte nu echter ongeneeslijk, dan wordt het noodzakelijk het zieke lid met geweld af te stoten, wil niet het geheel er voortdurend onder lijden.

Verander daarom uw manier van denken. Er is niet een dezerzijds en een generzijds, maar alleen één ongedeeld bestaan! Het begrip van de scheiding heeft alleen de mens bedacht, omdat hij niet alles kan zien en zichzelf als het middelpunt en het belangrijkste van de voor hem zichtbare omgeving beschouwt. Zijn invloedssfeer is echter groter. Maar door het foute idee van de scheiding beperkt hij alleen maar zichzelf, met geweld, belemmert zijn vooruitgang en laat vrij spel aan de ongebreidelde fantasie, die monsterachtige beelden in het leven roept.

Is het dan verrassend, wanneer als gevolg daarvan velen slechts ongelovig glimlachen, anderen in ziekelijke aanbidding vervallen, die slaafs wordt of in fanatisme ontaardt? Wie kan zich dan nog verbazen over de schuwe vrees, ja angst en ontzetting, die bij menigeen steeds groter wordt?

Weg met dit alles! Waarom deze kwellingen? Haal deze scheidsmuur omver, die de mensen in hun dwaling hebben trachten op te richten, maar die nooit heeft bestaan! De tot dusver verkeerde instelling biedt u ook een verkeerde grondslag, waarop u eindeloos maar vergeefs tracht het ware geloof, dus innerlijke overtuiging, voortdurend verder op te bouwen. U stuit daarbij op punten en klippen die u aan het wankelen, aan het twijfelen moeten brengen, of die u dwingen het gehele bouwwerk zelf weer te vernietigen, om tenslotte misschien moedeloos of verbitterd alles op te geven.

De schade is daarbij geheel voor uzelf, omdat u daardoor niet vooruit komt, maar het voor u stilstand of achteruitgang betekent. De weg, die u toch eenmaal moet afleggen, wordt daardoor voor u langer.

Wanneer u eindelijk de schepping als één geheel bent gaan zien, zoals deze is, en geen scheiding meer maakt tussen het dezerzijdse en het generzijdse, dan hebt u de juiste weg gevonden, het werkelijke doel komt naderbij, en het omhoog stijgen brengt u vreugde, geeft u voldoening. U kunt dan ook de wisselwerkingen veel beter voelen en begrijpen, die door het geheel, dat één is, levenswarm pulseren, omdat al deze activiteit door die ene kracht gedreven en in stand gehouden wordt. Het Licht van de Waarheid begint daarmee voor u te dagen!

U zult spoedig inzien, dat bij veel mensen slechts gemakzucht en traagheid de oorzaak zijn van hun spotternij, alleen maar omdat het moeite zou kosten datgene, wat zij tot dusver geleerd en gedacht hebben, omver te werpen en iets nieuws op te bouwen. Bij anderen grijpt het in hun gebruikelijke manier van leven in, daarom vinden zij het lastig.

Laat hen, twist niet met hen, maar help met uw weten diegenen, die met vergankelijke genoegens niet tevreden zijn, die meer van het leven op aarde verlangen dan slechts hun maag te vullen, zoals de dieren. Geef hun het inzicht dat u ten deel valt, begraaf dan niet uw talent, want met het geven wordt door de wisselwerking ook uw weten rijker, sterker.

In het heelal werkt een eeuwige wet: dat alleen door geven ook kan worden ontvangen, wanneer het om waarden gaat die blijvend zijn! Dat werkt heel diep door, het doordringt de gehele schepping als een heilig erfdeel van haar Schepper. Onzelfzuchtig geven, helpen waar dat nodig is, en begrip hebben voor het leed van de naaste alsook voor diens zwakheden, betekent ontvangen, omdat het de eenvoudige, ware weg naar de Allerhoogste is!

En dit ernstig willen brengt u onmiddellijk hulp, kracht! Eén enkele, eerlijk en diep gevoelde wens om het goede te doen, en als met een vlammend zwaard wordt van de andere, voor u nu nog onzichtbare kant al de muur doorkliefd, die uw gedachten tot dusver zelf als hindernis hadden opgetrokken; want u bent immers één met het door u gevreesde, ontkende, of met verlangen tegemoet geziene generzijdse, bent daarmee nauw en onlosmakelijk verbonden.

Probeer het, want uw gedachten zijn de boden die u uitzendt, die zwaar beladen met hetgeen door u gedacht werd terugkeren, of dit nu iets goeds is of iets slechts. Het gebeurt! Denk eraan, dat uw gedachten dingen zijn, geestelijk vorm aannemen en dikwijls tot vormen worden, die een langer bestaan hebben dan het aardse leven van uw lichaam – dan zal veel u duidelijk worden.

Zo komt het ook, dat heel terecht gezegd wordt: “Want hun werken volgen hen na!” Gevormde gedachten zijn werken die u eens zullen opwachten! Die lichte of donkere ringen om u heen vormen, waar u doorheen moet trekken om in de geestelijke wereld door te dringen. Geen bescherming, geen ingreep kan daarbij helpen, omdat u zelf moet beslissen. De eerste stap tot alles moet u dus zelf doen. Deze is niet moeilijk, hij bestaat slechts uit het willen, dat door gedachten tot uiting komt. Zo draagt u zowel de hemel als de hel in uzelf.

Beslissen kunt u, maar aan de gevolgen van uw gedachten, van uw willen bent u dan onvoorwaardelijk overgeleverd! U doet ze zelf ontstaan, deze gevolgen, en daarom roep ik u toe:

“Houd de haard van uw gedachten rein, u sticht daardoor vrede en zult gelukkig zijn!”

Vergeet niet, dat elk van de gedachten die u in het leven roept en uitzendt, op zijn weg al het gelijkgeaarde aantrekt of zich eraan vasthecht, zodat hij daardoor sterker, steeds sterker wordt en tenslotte ook een doel treft, een brein, dat misschien eens secondenlang zichzelf vergeet en daardoor aan dergelijke ronddwalende gedachtevormen de gelegenheid geeft, binnen te dringen en tot uitwerking te komen.

Denk er alleen maar aan, welk een verantwoordelijkheid u dan treft, wanneer deze gedachte eens tot daad wordt door toedoen van iemand die hij kon beïnvloeden! Deze verantwoordelijkheid komt al tot uitwerking door het feit, dat iedere afzonderlijke gedachte voortdurend met u in verbinding blijft, als door een niet te verbreken draad, om later terug te keren met de onderweg opgedane kracht, om uzelf weer te belasten of gelukkig te maken, al naar de aard van de gedachte die u in het leven riep.

Zo staat u in de wereld van de gedachten en geeft telkens door de aard van uw denken ook ruimte aan de daarmee overeenkomende gedachtevormen. Verspil daarom niet de kracht van het denken, maar verzamel deze tot af-weer en tot scherp denken, dat gelijk een speer wordt uitgezonden en op alles invloed heeft. Vorm zo met uw gedachten de Heilige Speer die voor het goede strijdt, die wonden heelt en de gehele schepping vooruithelpt!

Stel uw denken daarom zodanig in, dat het leidt tot handelen en tot vooruitgang! U zult daartoe moeten wrikken aan menige zuil die van oudsher bestaande opvattingen draagt. Vaak is het een begrip dat, verkeerd opgevat, de ware weg niet laat vinden. De mens moet dan terug naar het punt van uitgang. Eén lichtstraal doet het gehele bouwwerk ineenstorten, dat hij in de loop van tientallen jaren met grote moeite heeft opgericht, en na een korte of lange verdoving gaat hij dan weer opnieuw aan het werk! Hij moet, omdat er in de schepping geen stilstand bestaat. Laten wij als voorbeeld het begrip ‘tijd’ nemen:

De tijd gaat voorbij! De tijden veranderen! Dat hoort men de mensen overal zeggen, en onwillekeurig rijst daarbij voor de geest een beeld op: wij zien wisselende tijden langs ons heen trekken!

Aan dit beeld raakt men gewend en het legt ook bij veel mensen de vaste grondslag waarop zij verder bouwen, waarnaar zij al hun onderzoekingen en overpeinzingen richten. Het duurt echter niet lang, of zij stuiten daarbij op hindernissen, die met elkaar in tegenspraak zijn. Met de beste wil is het niet meer mogelijk, alles in elkaar te passen. Zij raken de weg kwijt en laten leemten bestaan, die ondanks alle gepieker niet meer zijn op te vullen.

Menigeen meent dan, dat op zulke punten het geloof als vervanging moet worden genomen, wanneer logisch denken geen aanknopingspunt vindt. Dat is echter verkeerd! De mens moet niet aan dingen geloven, die hij niet kan begrijpen. Hij moet proberen ze te begrijpen, want anders zet hij de poort voor dwalingen wijd open, en met de dwalingen wordt ook de Waarheid steeds in haar waarde aangetast.

Geloven zonder te begrijpen is alleen maar traagheid, luiheid van denken! Dat leidt de geest niet omhoog, maar drukt hem omlaag. Daarom de blik omhoog, wij moeten toetsen, onderzoeken. De drang daartoe is niet voor niets in ons aanwezig.

De tijd! Gaat hij werkelijk voorbij? Waarom stuit men bij dit denkbeeld op hindernissen, als men er verder over wil doordenken? Heel eenvoudig, omdat de grondgedachte verkeerdis, want de tijd staat stil! Wij echter snellen hem tegemoet! Wij stormen voort in de tijd die eeuwig is, en zoeken daarin naar de Waarheid.

De tijd staat stil. Hij blijft dezelfde, vandaag, gisteren en over duizend jaar! Alleen de vormen veranderen. Wij duiken in de tijd om te putten uit de rijkdom van hetgeen erin werd opgetekend, om ons weten uit te breiden met dat wat door de tijd vergaard werd! Want niets ging bij hem verloren, alles heeft hij bewaard. Hij is niet veranderd, omdat hij eeuwig is.

Ook u, mens, bent steeds dezelfde, of u er nu jong uitziet of als een grijsaard! U blijft wie u bent! Hebt u dat zelf niet al gevoeld? Merkt u niet duidelijk een verschil tussen de vorm en uw ‘ik’? Tussen het lichaam, dat aan veranderingen onderhevig is, en uzelf, de geest, die eeuwig is?

U zoekt de Waarheid! Wat is Waarheid? Wat u vandaag nog als waarheid beschouwt, zult u morgen al als dwaling zien, om in die dwaling dan later weer korrels Waarheid te ontdekken! Want ook de openbaringen veranderen van vorm. Zo gaat het voor u steeds verder met onvermoeibaar zoeken, maar door de wisseling van inzichten wordt u rijper!

De Waarheid echter blijft steeds gelijk, zij verandert niet, want zij is eeuwig! En omdat zij eeuwig is, zal zij met de aardse zintuigen, die alleen verandering van vorm kennen, nooit zuiver en werkelijk te bevatten zijn!

Word daarom geestelijk! Vrij van alle aardse gedachten, en u hebt de Waarheid, zult in de Waarheid zijn om u, door haar reine Licht voortdurend overgoten, daarin te baden; want zij omgeeft u geheel en al. U zwemt daarin, zodra u geestelijk wordt.

Dan hoeft u niet langer moeizaam wetenschappen te leren, hoeft geen vergissingen te vrezen, maar hebt op iedere vraag het antwoord al in de Waarheid zelf, meer nog, u hebt dan geen vragen meer, omdat u zonder te denken alles weet, alles omvat, omdat uw geest dan in het reine Licht, in de Waarheid leeft!

Word daarom geestelijk vrij! Verbreek alle banden die u omlaag houden! Wanneer zich daarbij hindernissen voordoen, begroet deze dan met blijdschap, want ze betekenen voor u de weg naar de vrijheid en de kracht! Beschouw ze als een geschenk waaruit voor u voordelen opbloeien, en spelenderwijs zult u ze overwinnen.

Ofwel ze worden u voorgezet, opdat u ervan leert en zich ontwikkelt, waardoor u uw uitrusting voor uw weg omhoog uitbreidt, ofwel het zijn de terugwerkingen van een schuld die u daarmee kunt aflossen en waarvan u zich kunt bevrijden. In beide gevallen brengen ze u vooruit. Daarom moedig er doorheen, het is tot uw heil!

Dwaasheid is het, om van tegenslagen of beproevingen te spreken. Vooruitgang is iedere strijd en ieder leed. Aan de mensen wordt daarmee gelegenheid geboden om schaduwen van vroegere fouten uit te wissen. Want niet het geringste kan een mens daarvan zomaar worden kwijtgescholden, omdat ook in dat opzicht de kringloop van de eeuwige wetten in het heelal onwrikbaar is, in welke zich de scheppende Wil van God de Vader openbaart, die ons daardoor vergeeft en al wat duister is doet verdwijnen.

De geringste afwijking daarvan zou de wereld in elkaar doen storten, zo duidelijk is alles geregeld en zo wijs.

Maar wanneer nu iemand heel veel van vroeger heeft af te lossen, moet deze mens dan niet moedeloos worden, zal hij niet huiveren voor de aflossing van zijn schulden?

Hij kan er getroost en blijmoedig mee beginnen, kan onbezorgd zijn, zodra hij eerlijk wil!Want een evenwicht kan worden geschapen door de tegenstroom van een kracht van het goede willen, die in het geestelijke net als andere gedachtevormen tot leven komt en tot een sterk wapen wordt, in staat om elke druk van het duister, iedere last weg te nemen en het ‘ik’ naar het Licht toe te leiden!

Kracht van het willen! Een door velen niet vermoede macht, die als een nooit falende magneet dezelfde krachten aantrekt, om zo als een lawine aan te groeien, en die, verenigd met geestelijk daarmee overeenkomende krachten, terugwerkt en het punt van uitgang weer bereikt, dus de oorsprong of beter gezegd de verwekker treft, en deze ver omhoog heft naar het Licht of nog dieper omlaag drukt in slijk en vuil! Al naar de aard zoals de aanstichter het oorspronkelijk zelf heeft gewild.

Wie deze bestendige, zeker tot stand komende wisselwerking kent, die in de gehele schepping aanwezig is en die met onwrikbare zekerheid tot uitwerking komt en zich ontplooit, die weet zich haar ten nutte te maken, moet haar liefhebben, moet haar vrezen! Voor hem komt langzamerhand de onzichtbare wereld om hem heen tot leven, want hij voelt de werking daarvan met een duidelijkheid die iedere twijfel wegneemt.

Zodra hij daar maar enigszins op let, moet hij de sterke golven van de nooit aflatende activiteit aanvoelen, die vanuit het grote heelal op hem inwerken, en hij voelt tenslotte, dat hij het brandpunt van sterke stromingen teweegbrengt als een lens die de zonnestralen opvangt, op één punt verenigt en daar een kracht ontwikkelt die een ontvlammende werking heeft, een kracht die verzengend en vernietigend, maar ook genezend en opwekkend, zegenbrengend kan stromen, en die ook in staat is een laaiend vuur te ontsteken!

En zulke lenzen bent ook u, in staat door uw willen deze onzichtbare krachtstromingen die u treffen, tot een macht verenigd uit te zenden voor goede of slechte doeleinden, om de mensheid zegen of ook verderf te brengen. Laaiend vuur kunt en moet u daarmee ontsteken in de zielen, vuur van geestdrift voor het goede, edele, voor de vervolmaking!

Daarvoor is alleen de kracht van het willen nodig, die de mens in zekere zin tot heer en meester van de schepping maakt, die hem zijn eigen lot doet bepalen. Zijn eigen willen brengt hem de vernietiging of de bevrijding! Verschaft hem het loon of de straf zelf, met onverbiddelijke zekerheid.

Wees nu niet bang, dat dit weten u van de Schepper verwijdert en het geloof dat u tot dusver bezat, verzwakt. Integendeel! De kennis van deze eeuwige wetten, die u zich ten nutte kunt maken, stelt het gehele scheppingswerk voor u in een nog veel verhevener licht, het dwingt door zijn grootheid de ernstig zoekende in diepe verering op de knieën!

Nooit zal de mens dan iets slechts willen. Hij grijpt met vreugde naar de beste steun die er voor hem bestaat: naar de liefde! Naar de liefde voor de gehele prachtige schepping, liefde voor zijn naaste, om ook deze te geleiden naar de heerlijkheid van dit genot, van dit bewustzijn van de kracht.